Carl Evertse: ‘Wij zijn allemaal een bundel verhalen’

Het hart en de riem – zingeving met een beperking

Door Carl Evertse

In de nieuwe serie Het hart en de riem schrijft Carl Evertse essays over zijn leven met een beperking, gezien vanuit een filosofische invalshoek. Zijn eerste stuk verhaalt over zijn achtergrond, Aristoteles, virtuoos mens zijn en voorbeelden om je naar te richten.

Deel 1: de beperking

Mijn naam is Carl Evertse. Ik ben getrouwd, ik heb vier al volwassen kinderen en ik ben 62 jaar. Bovendien heb ik een dwarslaesie; daar kom ik zometeen uitgebreid op terug.

Ik ben ook leraar filosofie. Daar zijn er niet zo veel van in Nederland. Dat zorgt soms op feestjes voor gegeneerde stiltes, omdat men denkt: ‘Oei, die is dus superintelligent en weet antwoord op alle moeilijke vragen’, of omdat men vermoedt dat ik weet wat de zin van het leven is. Nou, over dat laatste ga ik wat zeggen, al sluit ik niet uit dat ik ook desgevraagd antwoord zal geven op andere vragen. Maar eerst wat meer over mijn dwarslaesie.

Op 19 april 2010, om een uur of zeven ’s avonds, kreeg ik pijn in mijn borst. Het zweet brak me uit, ik werd bang en ik moest heel sterk aan mijn vader denken: hij was vijftien jaar eerder door een geknapte aorta gestorven. De pijn, bij iedere hartslag voelbaar, werd niet minder en ik merkte dat mijn benen slapper werden. Gelukkig kwam mijn vrouw op dat moment thuis. We besloten om meteen met de auto naar de intensive care van het dichtstbijzijnde ziekenhuis te gaan. Niks protocollen, niks huisarts die eerst geraadpleegd moest worden, niks ambulance. Weg, meteen.

Overgave
Op weg naar het ziekenhuis maakte ik een soort balans op. Niet zozeer van mijn leven, maar eerder van mijn situatie op dat ogenblik. Ik voelde intuïtief dat er twee mogelijkheden voor me waren. Of ik zou het niet halen, ik zou mijn vader achterna gaan, ik zou erachter komen of er een soort hiernamaals was of niet, of een soort licht aan het eind van een tunnel of zoiets. Dan zou ik heel wat familie en vrienden intens bedroefd achterlaten en die gedachte vond ik vreselijk. Of ik zou het overleven, maar ergens wist ik dat ik er niet geheel ongeschonden uit tevoorschijn zou komen. En hoe de rest van mijn leven er dan uit zou zien, daar wilde ik liever niet aan denken. Een soort tunnel aan het einde van het licht of zoiets. De laatste gedachte die ik had voordat ik bewusteloos raakte was: ‘Wat het ook gaat worden, het is goed zo.’ Berusting, overgave, vrede.

Toen ik weer bijkwam en de zuster van de Intensive Care zag, wist ik dat ik niet in het paradijs terecht was gekomen. Na de heerlijke hereniging met mijn familie, met mijn vrienden, kwam ik er vrij snel achter dat ik een dwarslaesie had: onder het middenrif bleef alles stil, bewegingloos, apathisch, zo leek het wel. Thoracaal 7, zo werd door de artsen vastgesteld. Geen pijnen, geen spasmes, maar ook geen controle meer over de blaas en de darmen. Het dove gevoel zat bovendien niet alleen in mijn onderlichaam maar ook in mijn rechteroor.

Toch waren die lichamelijke ongemakken op dat moment niet het meest verontrustend. Dat was het besef – dat ik geleidelijk aan kreeg – dat ik zes weken had gemist. Wat was er in al die tijd dat ik niet bij bewustzijn was allemaal gebeurd? Bovendien had ik duidelijk het gevoel dat ik in vele delen was uiteengevallen en dat ik mezelf weer bijeen moest rapen, weer heel moest maken. En dat is, vooral door toedoen van het geduld en de toewijding van mijn vrouw, die maar op me in bleef praten, gelukkig goed gelukt.

Verhalen delen
Eenmaal op de Maartenskliniek om te revalideren, kwam ik erachter dat behalve ikzelf iedereen die op die afdeling was, zijn of haar specifieke verhaal had en dat het van groot belang was om die verhalen met elkaar te delen. De een was met een motor in een bocht geslipt in een poging om zijn machine wat meer rechtop te krijgen, een ander was van een bouwsteiger gevallen en weer een ander, een mountainbiker, was rechts in plaats van links van een bepaalde steen gefietst op een parcours dat hij al tientallen keren had afgelegd. En zo had iedereen een triest verhaal. En niet alleen de patiënten, ook de naasten die met hun onzekerheid, vertwijfeling, geschoktheid zaten. Wij zijn allemaal een bundel verhalen, verhalen die verteld en aangehoord willen worden.

Ik zet nu een stap terug en bekijk onze situatie nu van een iets grotere afstand. Wat is er met ons gebeurd? Niemand gaat revalideren uit vrije wil of omdat dat ‘vakantieadres’ ons door vrienden werd aanbevolen vanwege het fraaie uitzicht. Er is een aanleiding geweest, een treurig voorval: een ongeluk, een complicatie tijdens een operatie, een gezwel. Ik denk dat dit voor iedereen die dit overkomt aanvoelt als een breuk, een knak in het leven waar we zo aan waren gewend. Voor de meesten van ons ziet het leven zoals we het nu verwachten (of vrezen), in ieder geval het leven dat we zullen moeten gaan leiden, er wezenlijk anders uit dan het leven zoals we dat geleid hebben.

Een breuk, een knak. En die moet eerst letterlijk geheeld worden. We worden in eerste instantie medisch begeleid en behandeld, waarbij het er met name om gaat om lichamelijk beter te worden, al is de verbetering bij sommigen maar heel klein.
Een breuk, een knak. En dat doet pijn, zeker als je voelt dat je niet meer kunt wat je vroeger zo goed en zo vanzelfsprekend kon doen. En dat gemis moet je zien te plaatsen, die rouw moet je zien te aanvaarden.

Daarnaast worden we psychologisch begeleid en behandeld. In dat geval gaat het er vooral om geestelijk beter te worden, ook al is die verbetering bij sommigen eveneens maar heel klein.

Waarom ik?
Het is normaal en goed dat we deze vormen van behandeling het eerst krijgen. Eerst het focus op de medische aspecten, dan op de psychologische. Maar er is geen aandacht voor zingevingsvragen. En daarna word je geacht weer de wereld in te gaan. Soms, nog in het ziekenhuis of eenmaal weer thuis, komen die vragen misschien in je op: waarom moest mij dit gebeuren? Wat is de waarde van mijn leven nog, nu ik zo veel niet meer kan? Wat is überhaupt de zin van het leven?
Dit zijn nogal zware vragen, ze zijn filosofisch van aard. En er zijn aardig wat filosofen, in het verleden maar ook nu, die zich die vragen gesteld hebben en daar (soms lijvige) boeken over hebben geschreven. Soms zijn die antwoorden opbeurend en zetten ze aan tot een actief leven, soms zijn ze eerder deprimerend, soms zijn ze ronduit absurd, zoals dat verhaal waarin het complete heelal dreigt vernietigd te worden en de mensheid besluit alle computers op elkaar aan te sluiten om een antwoord te krijgen op de vraag ‘Wat is de zin van het leven?’. Net voor de uiteindelijke vernietiging leest een van de overgebleven mensen het verlossende antwoord en dat luidt: 47.

Zoals gezegd zijn er veel mogelijke antwoorden en ik ben dan ook bang dat ik eerder een ‘verkeerd’ antwoord te geven heb, niet het antwoord dat bij jou past. Toch wil ik proberen om antwoorden die anderen vóór mij hebben gegeven, te verkennen. Daarom wil ik één filosoof kort voorstellen: Aristoteles.

Volgende week in deel 2 van dit essay: Aristoteles en zijn tijd, hoe word je gelukkig en voorbeelden om je naar te richten.

-A A +A